Ik wil, ik wil, ik
wil
een fat-bike en ik
gil
want oei wat gaat
dat snel,
hij reageert zo fel.
In mijn zwarte
hoodie,
mijn capuchón is
op,
scheur ik door de
straten,
dag buurman, let
eens op!
Zie je me gaan, ik
ben het,
nee, je herkent me
niet,
haha, ik ben mezelf
niet,
het voelt zo
hypocriet.
Ik vlieg door alle
bochten,
wat was ik vroeger
sloom,
ik ben al waar ik
zijn moet,
het lijkt wel of ik
droom.
Maar ik mag hier
niet rijden,
mijn banden zijn te
dik,
het was een korte
vreugde,
ik stap af en ik
snik.
Wil ik eens uit mijn
dak gaan,
word ik weer
afgestraft.
Dus maar weer
ingeleverd,
de capuchón kan af.
Ik fiets weer op
mijn oude,
ben terug naar wie
ik ben,
de blije dichter uit
mijn dorp,
de buurvrouw die men
kent.
Geen fratsen op je
oude dag,
dat wordt toch snel
te veel,
ik ben weer wie ik
zijn mag,
loop vrolijk in ‘t
gareel.
Coby
Poelman-Duisterwinkel