Als ik opendoe,
onze huisarts met bloemen
voor mijn eerste boek.
Coby Poelman-Duisterwinkel
dat ik met weeën in het ziekenhuis werd opgenomen.
Het was nog lang geen tijd, maanden te gaan.
Ik lag aan een infuus en zag hem binnenkomen,
mijn lieve echtgenoot met een bos duizendschonen.
Ze stonden naast mijn bed en vrolijkten me op.
De pre-par deed zijn werk, het bracht een weeënstop.
Ik mocht naar huis maar kwam nog een keer terug,
ook deze keer liet vroeggeboorte op zich wachten.
Toen ik was uitgerekend duurde het nog nachten.
Drie weken langer bleef ze in mij wonen.
Ze was nog mooier dan de duizendschonen.
Nu ik in onze tuin de bloemen zie
communiceer ik met haar beide zonen
via een cursusapp, wie had dat kunnen dromen.
Coby Poelman-Duisterwinkel
goed gemutst en positief,
bezorgt je waren met plezier,
het is voor hem geen ongerief.
Een groet voor ieder die hij ziet,
een aai over een hondenkop,
leeft mee in blijdschap en verdriet,
deelt pepermuntjes uit of drop.
Zijn familie helpt hem mee
bestellingen te spellen,
ook buren helpen hen op glee,
er is zoveel te tellen.
Er is altijd bedrijvigheid
bij Poelman en buur Poort,
je vindt volop gezelligheid,
er wordt gepraat, gehoord
maar op de zondag is het stil,
geen bel, geen verkoopwerk,
geen klantenritjes, geen getil
bij Centra in Hoogkerk.
Dan klutst hij suiker door wit ei
dat puddinkjes versieren moet
en noemt het met een lach erbij
zijn ‘slinger om de snoet!’
Coby Poelman-Duisterwinkel
hij won de eerste prijs.
Je zag hem trots met zijn tongetje klakken,
hij had de smaak al goed te pakken.
Toen hij thuis in de steeg
een worm aan het haakje reeg
schoot het puntje in zijn duim,
hij rende door de tuin,
de hengel sleepte achter hem aan,
bij elke stap trok de spanning aan.
De nijptang kwam er aan te pas,
of de kampioen nog vislustig was?
Zijn vriendje kan het weten,
die zat in de wachtkamer te zweten.
Coby Poelman-Duisterwinkel
Gepubliceerd in: "Granaatjes met een gouden slot"
Haar pa en ma vierden een jubileum,
Ze weet nog hoe ze voor de kapstok stond,
er moest toch iemand zijn die op kon treden,
daar in de gang bedacht ze het terstond.
Voor iemand haar op plannen kon betrappen
had ze de hoed al van de plank gewipt,
met herenjas en sjaal kwam ze al binnen stappen,
nu snel een tekst bedenken en de knopen dicht.
Er werd gelachen en naar haar gekeken,
toen ze ging zitten was het opeens stil,
nu moest ze toch in actie, ze moest spreken,
ze dacht aan iemand van de kerk en wat hij wil.
Ze hoefde maar één zinnetje te zeggen
zoals die man zo vaak had voorgedaan,
ze deed hem na zonder veel uit te leggen
en kreeg applaus, het was dus goed gegaan.
Op latere verjaardagen, partijen
sprak men veelvuldig over wat zij had verteld,
blijkbaar had ze de gasten kunnen vleien
met; “Ik ben Smit en kom om kerkegeld.“
Coby Poelman-Duisterwinkel
![]() |
zijn arm om me heen,
zijn warmte, zijn geur,
het geeft me een kleur,
de rust in zijn stem,
ik ben graag bij hem,
het voelt zo vertrouwd
dat hij van mij houdt.
Zijn meisje, zijn lief,
ook hij is verliefd,
ik voel hem dichtbij,
hij is graag bij mij,
laat duren de tijd,
ik wil je niet kwijt,
leg vast dit moment,
‘t geluk ongekend.
Coby Poelman-Duisterwinkel
Daar gaan de hartsvriendinnen,
zwierig over sneeuwwit ijs,
valt hier iets te winnen,
gaat het om een prijs?
Ze rijden keurig in de maat
en kruisen tegelijk,
ze kijken vrolijk en kordaat,
het siert de hele dijk.
Wat gaan ze vorstelijk gekleed
in nauwe kokerrokken
ze geven hen geen enkel leed,
een mutsje schikt hun lokken.
Ik zie mijn tante in haar jeugd
op 't Gronings platteland,
ik weet niet of het haar nog heugt,
ze zijn al aan de Overkant.
Coby Poelman-Duisterwinkel
en spreek die vooral uit
zodat ook als je niet meer bent
ze doorklinken in ons bestaan.
Het had haar
zo vaak goed gedaan.
Coby Poelman-Duisterwinkel
het zegt zoveel over de kleine meid,
ik zie weer hoe ze liep
met haar konijn op wieltjes,
die ze soms aan haar pakjedrager bond,
daar reed ze frank en vrij mee rond,
dan keek ze om en stopte even
zette hem overeind maar nee,
het wilde blijkbaar zweven.
Ik mijmer over haar
en haar kwajongensstreken,
hoe ze in hoge bomen klom
en vlotten bouwde die ze af kon breken,
al zonder handen fietsen kon.
Het ikke zelf klinkt in mijn oren na,
ze wipte snel van ieders schoot,
ze is nu zelf al jaren ma
hun jongens zijn al weer zo groot.
Het zwijgend plukje op de envelop
roept talloze herinneringen aan haar op.
Coby Poelman-Duisterwinkel
de achterdeur nog open,
om te vertellen
wat ik had gescoord,
zij was er, de handen
in elkaar slaand,
tot in de nacht
had ze me overhoord.
De kale plek voor ’t aanrecht
woog de zorgen
die onder afwas
werden doorgepraat,
was ze alleen
dan zong ze psalmen,
gaf ze zich over aan
haar Toeverlaat.
Ik rook haar warmte
als de tranen kwamen,
de grotemensenwereld me
te machtig werd,
als pleisters niet alleen
meer konden helpen,
ze leefde mee
met elk facet.
Inlevend las ze voor
onder de lamp
boven de
etenstafel,
nog zie ik
het door haar
gesteven kleed
en proef de smaak van wafels.
Als ze eens wist hoeveel ik
van haar leerde,
kon ik nog éénmaal
lezen haar gezicht,
vandaag zie ik
haar leven
door Zijn ogen,
in ‘t hoogste licht.
Coby Poelman-Duisterwinkel
In een tijd van hoeden dragen
waren mijn ouders jongelui
die hun ja nog zouden vragen
een dag in Arnhem samen uit.
Als ik het jonge stel zie lopen,
naast elkaar in wandelpas,
mijn vaders handen weggestoken
in zijn geklede overjas,
ook moeder op haar zondags,
in een voor hen nog vreemde stad
denk ik; door hen kwam mijn begin,
ik werd de jongste van dit paar,
de zesde van hun huisgezin,
ik koester aan elk levensjaar
in liefde mijn herinnering.
Coby Poelman-Duisterwinkel
Ze zit te huilen in de kerk
na de geloofsbelijdenis,
de dominee vraagt wat er is.
Zo mooi, hapert haar stem,
dat ik, dat wij, ze snikt,
ze ziet het, haar verrijzenis,
het nieuwe lichaam dat ze krijgt,
het maakt dat ze intens verblijd
haar vreugdetranen plengt.
Ik ben ontroerd door wat zij zegt,
het raakt mij en het sterkt,
het blijft me nu al jaren bij,
wat zegt het woord beperkt?
Coby Poelman-Duisterwinkel